(terug naar website torenuurwerken)

 

 

Jan van Call, een geniaal Duits Nederlandse “uurwercker”.

 

Bert Cremers

Lid van de Studiegroep Openbare Tijdsaanduiding (SOT)

 

Om dit artikel te schrijven heb ik nauw samengewerkt met de heer Paul Eijkhout te Nijmegen die zijn hele archief betreffende Jan van Call aan mij ter beschikking heeft gesteld. Zonder zijn hulp was dit artikel niet tot stand gekomen.

 

Alles vernietigend vuur.

 

In 1740 bezochten enkele Groningse toeristen Nijmegen waarbij ze ook een rondleiding kregen door het stadhuis van Nijmegen. Men kwam extra daarvoor naar Nijmegen. Voor de moderne mens is die afstand nu een peulenschilletje maar 300 jaar geleden was dat een hele onderneming. Een van die toeristen heeft een dagboek bijgehouden waaruit ik letterlijk citeer: “…in het midden tegen de muur stond een voortreffelijk pronkststuk zijnde een horloge gemaakt na het model van de stadstoren; hetzelve pronkte met een klokspel dat alle uiren, halfuiren en quartiers speelde en was voorzien met een maandwijzer, dagwijzer, maanwijzer, de twaalf zodiakstekens, alle heilige dagen en een eeuwig duirende almanak…”

Deze aantekening had betrekking op een grote staande klok die bijna 300 jaar lang in de hal van het stadhuis heeft gestaan. Tijdens de tweede wereldoorlog is deze klok door oorlogshandelingen tijdens een brand jammerlijk verloren gegaan. Ondanks het feit dat Jan van Call niet de maker was van deze klok is zijn naam toch onverbrekelijk met dit uurwerk verbonden. Ik kom hier later op terug.

Wie was deze Jan van Call?

 

Jan Becker van Call. (?? – 1667)

 

In het burgerboek van de stad Nijmegen staat Jan van Call ingeschreven als Jan Becker en om het nog verwarrender te maken wordt hij in enkele oude Nijmeegse stukken ook Jan van Batenburg genoemd. Hoogstwaarschijnlijk is hij geboren in Kall, kreis Euskirchen in Duitsland. Tot 1929 werd de naam van dit plaatsje geschreven als Calle en later als Call.

Kall ligt ten oosten van Schleiden in de oostelijke Eiffel en was in de middeleeuwen bekend om zijn loodmijnen.

Hij verhuisde waarschijnlijk tussen 1627 en 1640 naar Batenburg in Gelderland en werd daar Jan Backer van Call genoemd. Hij was bekend als uurwerkmaker en landmeter maar tevens had hij de naam “in andere fraye konsten” ervaren te zijn. In de kerk van Batenburg heeft van Call ook zijn sporen achtergelaten. In 1651 hing daar een “horologie” van meester Jan van Call, “uyerwercker”. Hij heeft hiervoor 350 gulden ontvangen.

Het bestuur van de stad Nijmegen had lucht gekregen van de vaardigheden van Jan van Call en lokt hem naar Nijmegen waar hij de functies van stadsuurwerker, wijnroeier en landmeter aangeboden kreeg. De functie van landmeter was al langer vacant in Nijmegen en leverde een jaarlijks traktement op van 50 daalder.

De Nijmeegse Raad neemt op 18 augustus 1644 het volgende besluit: ….”heeft de Eerbaer Raedt goetgevonden ende geresolviert, datmen denselven Constener (sal) sien te trecken ende binnen deser stadt te doen commen”.

Lokaas is burgerrecht, vrijheid van wacht en een huurvrij huis ( dit laatste uit geconfisqueerde goederen).

Op 1 december 1647 werd “Jan Becker Call, horlogier” als burger van de stad Nijmegen ingeschreven.

Samenvattend staat hij dus bekend onder de namen: Jan van Call, Jan Becker, Jan van Batenburg, Jan Becker van Call en Jan Backer van Call.

Jan van Call was getrouwd met Hilleken de Meij of de Maij. Uit dit huwelijk komen twee zonen voort, Peter en Dirk (Derck) en twee dochters, Agniet en Cathrin. Zijn vrouw Hilleken sterft in 1652 maar op 5 augustus 1653 hertrouwt hij met Suanna van Eyckenpas uit Zetten.

Van zijn dochter Agniet is verder weinig bekend. In 1664 huwt ze met Pelgrim Muijs uit Arnhem. Het dochtertje Cathrin heeft echter maar kort geleefd en werd gedoopt op 24 maart 1650 en is waarschijnlijk omstreeks 1653 overleden.

Met zijn zonen heeft hij het niet gemakkelijk gehad. Dirk, getrouwd met Maria Admiraels wordt in 1658 op verzoek van zijn vader door de Raad ernstig berispt omdat hij “door d’alcumisterije (alchemie) sijne middelen is verquistende tot nadele van sijn Huijsvrouw ende kinderen”. De Raad “hertelijck vermaent” hem daar direct mee op te houden, anders worden er andere middelen toegepast

Dirk overlijdt in datzelfde jaar en zijn weduwe hertrouwt in 1661 met S.H. van Groeningen echter onder heftige weerstand van Jan van Call in verband met de nalatenschap van Dirk.

Zijn tweede zoon Peter, minderjarig, leeft in “concubinaetschap” met Deliana Dieber en vader Jan weigert zijn toestemming om te trouwen. Na een heleboel gedoe en proces met de vader van Deliane komt er in 1655 toch een happy-end en trouwen de twee geliefden. Peter hertrouwt op 25 mei 1676 met de weduwe Anna Geurts uit Amsterdam.

Na zijn dood in 1667 blijft van Call’s weduwe Susanna in hun huis op de Platenmakersstraat wonen en bemoeit zich verder niet meer met de familie van Call en laat haar huis “De vergulde Mat” in 1699 na aan haar neven en nichten…

 

Jan de “uurwercker”.                                                                                                         

In het kader van dit artikel beperk ik mij tot de “konsten”van Jan van Call als uurwerkmaker.

Dat hij een zeer goede naam als uurwerkmaker had blijkt alleen al uit het feit dat Christiaan Huygens hem op 19 oktober 1658 het octrooi voor het slingeruurwerk verleende. Dit hield in dat hij het recht verkreeg Huygens’ uitvinding in uurwerken toe te passen. Hierdoor was hij in 1659 o.a. in staat de uurwerken op de Nijmeegse stadspoorten te voorzien van een slinger wat de nauwkeurigheid zeer ten goede kwam. Samen met Huygens deed hij onderzoek naar een voor schepen geschikt slingeruurwerk. Beide mannen hadden wederzijds groot respect voor elkaar. Naast Salomon Koster was van Call de tweede uurwerkmaker aan wie het privilege was verleend, voorwaar geen kleinigheid. Ook heeft van Call speeltrommels voor torenuurwerken gemaakt, waarover dadelijk meer.

 

De verbrande klok van het stadhuis in Nijmegen.

 

Het is moeilijk te geloven dat deze prachtige klok bijna 300 jaar in het stadhuis heeft gestaan en dat er toch maar zo weinig over is terug te vinden in de stadsarchieven. Ook hooguit enkele oude foto’s zijn er nog. Het weinige dat bekend is volgt hieronder.

In 1646 werd via een Raadsbesluit de klok aangekocht van de familie van Eck voor de prijs van 300 gulden en twee rosenobels voor de kinderen. De klok was in dusdanige toestand dat restauratie noodzakelijk was en hiervoor werd Jan van Call aangetrokken. De prijs die hij hiervoor berekende was bijna net zo hoog als de aankoopprijs, namelijk 280 gulden. Een teken dat restauratie zeer dringend nodig was. Het uurwerk werd geplaatst in de hal van het stadhuis en verbonden met een uurwijzer in de raadkamer. Later in 1666/1667 worden ook in andere kamers wijzerplaten aangestuurd door het uurwerk en “daarenboven verschafte dit uurwerk in alle benedenvertrekken boven de deur een uirwijzer zijnde op een konstige manier door lange, dunne ijzeren spillen met raadjes aldus gepractiseert.” Ook is in een stadsrekening van 1667 te lezen dat een timmerman betaald werd voor een houten kast die het uurwerk moest beschermen en tegelijk transformeerde tot een staande klok. Een opvallend onderdeel van het uurwerk was een uit 1597 daterende vergulde schijf onder de wijzerplaat.

Zij bevatte een eeuwigdurende kalender, een compendium der almanakswijsheid uit de 16e eeuw. Ook bevatte ze concentrische ringen, verdeeld in segmenten, waarvan elk aan een maand gewijd is. In een van de cirkels las men: “J. Gront fecit, in usum Johannis Hartij, civitatis Noviomagensis a secretis, 1597”. Vertaling: “Gemaakt door J. Gront, ten dienste van Johan de Hardt, secretaris der stad Nijmegen, 1597.”

Deze Jan Gront was goudsmid ( goltsmidt in de Corte Burchtstraat ) en de graveur van deze vergulde plaat. De maker van het uurwerk is echter- voor zover ik weet - onbekend.

Ook werd in 1738 aan de klok een klokkenspel toegevoegd, geleverd en aangebracht door de Leuvense klokkengieters Pieter en Matthias van den Geyn. Ieder uur werd het Wilhelmus gespeeld. Blijkbaar had het uurwerk veel te lijden van deze toevoeging want in 1782 werd dit weer losgekoppeld. Het is een prestatie van formaat van Jan van Call dat – na zijn restauratie - dit uurwerk 250 jaar heeft gefunctioneerd, want pas omstreeks 1890 werd een nieuwe restauratie uitgevoerd door Henri Leeuw en anderen. De klok is bij de brand totaal verloren gegaan. De heer Paul Eijkhout heeft nog alle moeite gedaan bij diverse instanties om eventuele restanten te achterhalen, echter zonder resultaat. In de hectiek van de oorlogsjaren  kunnen we er van uitgaan dat de mensen wel iets anders aan hun hoofd hadden dan het redden van enkele restanten van een oude klok.

 

Verdere wapenfeiten.

 

- Aan het uurwerk op de Sint Stevenstoren te Nijmegen heeft Jan van Call veel veranderingen aangebracht. De klokkenstoel in deze toren werd door hem enige malen veranderd en met de klokkengieter van Trier werkt hij aan verbeteringen van de speeltrommel. Ook kocht hij “een parhtije bequaem coper” voor de “wijsers aen t uijrwerck”.

 

- Jan van Call heeft ook samengewerkt met de bekende en beroemde klokkengieter François Hemony. In de periode 1648 – 1650 werkte hij mee aan het klokkenspel van de Jacobitoren in Utrecht. Van Call werd benaderd voor een uur- en speelwerk door de kerkmeesters van de Jacobikerk. Men was uitermate voorzichtig omdat van Call’s voorganger, Johan Carlier, wel een groot deel van het geld opgestreken had maar geen enkele vooruitgang van het te leveren werk had geboekt. Carlier beweerde dat het geld hem ontstolen was, juist toen hij op weg was in het Sauerland voor het kopen van ijzer. Na de nare ervaringen met deze oplichter?/ uurwerkmaker waren er bij de kerkmeesters de nodige aarzelingen maar uiteindelijk kreeg van Call in 1648 de opdracht. Het zou een uurwerk worden met een heel- en halfuurslag en een duizend pond zware speeltrommel met een diameter van tenminste 5 Rijnlandse voeten (dit is ca. 157 cm.) en dat geheel uit messing zou moeten bestaan. Het geheel moest elk kwartier en heel en half uur spelen en diende 120 maten te tellen met op elke maat 36 gaten. Binnen één maat konden de 36 lichters de hamers vier maal aantrekken. 25 Klokken bracht het speelwerk tot klinken, een aantal klokken was zelfs van dubbele hamers voorzien. Na advies gevraagd te hebben aan de Utrechtse klokkenmakers Jacob Schodt en Paulus Mobach en de directeur van de “Klockwercken tot Utrecht” Jacob van Eijck werd het werk aan van Call gegund met dien verstande dat het totale gewicht met 1000 pond naar 8000 pond werd verhoogd.

Binnen de gestelde termijn van 2 jaar had van Call het uurwerk met speeltrommel klaar, maar het gewicht beliep – inclusief de 25 luidklokken - inmiddels 11.596 pond. De speeltrommel woog 1418 pond i.p.v. 1000 pond. In 1651 vond de keuring en de installatie plaats.

Jammer genoeg is deze beiaard in 1674 tijdens een orkaan verloren gegaan. Het speelwerk had geen functie meer en werd in 1719 aan de geschut- en klokkengieter Jan Albert de Grave verkocht. Het uurwerk is gelukkig bewaard gebleven en staat in het Nationaal museum van speelklok tot pierement te Utrecht.

 

- Zoals al eerder vermeld kreeg ” meester Jan “ in 1659 de eervolle opdracht de uurwerken op de stadspoorten van Nijmegen te moderniseren en te voorzien van een slinger. Bij de Wiemelpoort, ook wel windmolenpoort genoemd ging dit echter niet zonder slag of stoot. Wat was het geval? De kosten van de modernisering van het uurwerk door van Call moesten deels gedragen worden door de “naburen”. Dat niet iedereen daarmee ingenomen was moge duidelijk zijn. Bijkomend feit was ook nog dat een boom voor het huis van Hendrik Paling deels het zicht op de wijzerplaten ontnam. Het was ook niet duidelijk of de boom nu openbaar groen was zoals Hendrik beweerde. Hij wilde zich niet vergrijpen aan openbaar bezit… De nabuurschap was in rep en roer en niet iedereen betaalde zodat “meester Jan” lang op zijn geld moest wachten. Uiteindelijk, een jaar te laat, betaalde de stedelijke overheid hem uit. En Hendrik Paling kreeg te horen dat hij de boom direct moest kappen anders zou men dit laten doen “op den weerpenninck”. Dat wil zeggen: men zou de boom anders laten kappen op zijn kosten. Het uurwerk heeft tot 1860 dienst gedaan toen de Wiemelpoort werd afgebroken. Waar het uurwerk gebleven is, is onbekend. Het is waarschijnlijk verloren gegaan.

 

- In de Eusebiuskerk te Arnhem bouwt van Call het daar aanwezige uurwerk om naar een slingeruurwerk

 

- Een andere grote opdracht die Jan van Call tot een goed einde bracht bestond uit de werkzaamheden aan het uurwerk en automatische speelwerk voor de Nieuwe Kerk in Delft. Hij werkte hierbij samen met de Delftse uurwerkmaker Coenraet Harmensz Brouckman en wederom met François Hemony die het bijbehorende klokkenspel goot. Deze werkzaamheden duurden van 1661 tot 1663. Om voor zulk een lange tijd afwezig te zijn uit Nijmegen moest door de burgemeester toestemming worden verleend. Deze toestemming werd in 1662 verlengd. Zijn faam was inmiddels zo groot dat hij zelfs tijdens zijn werkzaamheden te Delft ook nog eens geraadpleegd werd door de burgemeesters van Rotterdam voor het speelwerk in de toren van de Grote Kerk. De voorlopige rekening voor het automatische speelwerk van 4 juni 1662 aan de magistraten van Delft beliep de somma van f 9889,05,08. De definitieve rekening volgde in mei 1663 en bedroeg de lieve som van f 17215,17. Na nog diverse verrekeningen zowel in de plus als in de min schrijft van Call: “So comt mij noch diese soma sege eylffduysent dreyhondert ende vier ende tachtentig gulden. Comt noch 11384glo 17 st.”. Voorwaar, een voor die tijd gigantisch bedrag.

  

Resumé

 

Jan van Call stierf in 1667 in Nijmegen en zijn zoon Peter volgde hem op.  Peter heeft nog in 1670 samengewerkt met Hemony aan het klokkenspel in Darmstadt, Duitsland.

Jan van Call was ongetwijfeld een zeer veelzijdige man. In dit artikel heb ik slechts enkele van zijn werkzaamheden als uurwerkmaker willen belichten. Deze opsomming is zeker niet uitputtend. Ook zijn kennis en kunde van speeltrommels staat buiten kijf. Van hem zijn ook nog enkele zonnewijzers bekend. Een zonnewijzer uit 1663 bestaat nog steeds en is te bewonderen op het stadhuis van Delft.

Ook was hij een zeer verdienstelijk en kundig landmeter die zelfs in de Brabantse Peel werkzaamheden heeft uitgevoerd in opdracht van de Prins van Oranje. Eveneens zijn enkele door hem getekende kaarten bekend zoals het uit 1656 ontstane “Caertgen vande deursnijdingh bij Schenkenschans” dat in het Nijmeegse stadsrekenboek vermeldt wordt.

In de hervormde kerk van Ravenstein is op de preekstoel een afbeelding te zien van vier evangelisten die getekend en geschilderd zijn door Jan van Call. En als dit alles nog niet genoeg is heeft hij in 1659 de pomp op de Grote markt in Nijmegen aanzienlijk verbeterd.

Zoals U ziet hebben de bestuurders van het 17e eeuwse Nijmegen het goed gezien dat ze een man naar Nijmegen haalden die niet alleen een uitmuntend “uurwercker” was maar ook nog ervaren was  in“andere fraye konsten”.

                    

Bert Cremers

Lid van de Studiegroep Openbare Tijdsaanduiding (SOT)